Algemeen

Gepubliceerd op 3 april 2018 | door Patricia Ottay

0

Wonsdag Woorddag ‘Mikmak’ deur Henk Scholte

“Doe mit dien pries, dat ken ja hailmoal nait. “En wat is dit den,” zee Wemeltje en oet dij mikmak van grote lappen kraantepapier, dat knisterde en ritselde en dee, huil ze n kouschietgruin löt veur n dag en zee nog n moal: “En wat is dit den, is dit n löt van ’t voetballen of nait. “Wie zollen toch gain lötten meer kopen,” zee Steven, ‘.’wie zeden: wie winnen toch nooit wat en dij goie doulen doar ’t aaltied om gaait, doar kennen wie ons beter brood véur kopen, dat hebben wie toch zegd, woar of nait.” “Moar wie hebben nou toch n pries,” zee Wemeitje, “de zeuvende pries, wel wait wat doar op valen is.”

Fragment uit: “Zeuvende Pries” Oet ’t Olde Ambt door Simon van Wattum, Nieuwsblad van het Noorden 27-06-1981

MIKMAK

Dat geeft maar mikmak, wil zeggen: dat geeft maar gezeur, daarvan is een minder goede verstandhouding tussen familieleden, vrienden of deelgenoten het gevolg. Het woord is niet heel oud: de oudste vindplaatsen dateren uit de achttiende eeuw. Het Franse micmac of miquemaque, waaraan het ontleend schijnt, is reeds in zeventiende-eeuwse teksten aangetroffen. In dialectisch Engels komt miffmaff voor in de betekenis: nonsense, foolishness, humbug. Het Duits kent misch-masch, mickmack en mick und mack. De oorspronkelijke en ook thans nog wel gangbare betekenis is: rommel, allerlei zaken door elkaar en in het Gronings spreekt men dan ook wel eerder van een mengelmous. Men zegt: gooi de hele mikmak maar in de wagen. Daaruit ontstaan betekenissen als geklets, gekonkel, stoornis, onenigheid. Bij wijze van toegift: ”estre en mique-maque, être en bisbille.” Die twee broers zijn lang eensgezind geweest, maar nu is er mikmak.

Tags: , , , ,



Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

2 × vijf =

Terug naar boven ↑
  • Activiteiten